We moeten streven naar nuttigheid (wat we geloven 3)

Eind 18e eeuw werd filosofisch niet alleen de idee over de menselijke vrijheid algemeen omarmd maar ook het idee van nuttigheid als moreel kernbegrip voor het menselijk handelen. De Engelsman Jeremy Bentham (en anderen) poogden ‘wetenschappelijk’ vast te stellen op welke wijze de mens en de menselijke samenleving het gelukkigst zou kunnen worden.

Wikipedia omschrijft het utilitarisme als een ethische stroming die de morele waarde van een handeling afmeet aan de bijdrage die deze handeling levert aan het algemeen nut, waarbij onder algemeen nut het welzijn en geluk van alle mensen wordt verstaan. Ieder mens handelt volgens Bentham uiteindelijk van minuut tot minuut slechts vanuit het basismotief: pijn vermijden en plezier verwerven. Dus nuttig is wat de aftreksom van plezier en pijn zoveel mogelijk maximaliseert. Dat geldt ook voor de samenleving als geheel: een overheid moet streven naar de maximale aftreksom van plezier en pijn voor alle burgers tezamen. Bentham deed allerlei tevergeefse pogingen om wetenschappelijke rekenmodellen te ontwikkelen om die nutsmaximalisatie uit te kunnen rekenen.  

Het morele nuttigheidsbegrip over gelukmaximalisatie heeft op de ideeën van de moderne Europese mens een enorme invloed gehad. Maximalisatie van ‘nut’ zowel door individu als overheid heeft tot veel vanzelfsprekendheden geleidt, waarvan we niet eens meer weten dat het kwestie van geloof is, onderdeel van onze nieuwe religie:

  • Zoveel mogelijk winst tegen zo gering mogelijke kosten (winstmaximalisatie);
  • Zoveel mogelijk resultaat met zo weinig mogelijk middelen (efficiency);
  • Zoveel mogelijk zaken kunnen kopen tegen de laagste prijs (consumentisme);
  • Zoveel mogelijk verdienen met zo weinig mogelijk inspanning (monopolies);
  • Zoveel mogelijk standaard produkten en diensten te leveren door bedrijfsleven en overheid om kosten te beperken (standaardisatie);
  • Zoveel als mogelijk kwaliteit van produkten en diensten uitdrukken in meetbare getallen omdat kwaliteit geld kost;
  • Zoveel mogelijk banen van werknemers standaardiseren om het meeste resultaat per minuut arbeidstijd te krijgen (protocoliseren) 
  • Zoveel mogelijk machines en computers inzetten om de kosten van arbeid zo laag mogelijk te houden (automatiseren);
  • Zo weinig mogelijk tijd besteden aan onnuttige zaken;
  • Haast hebben werd nuttig. Tijd werd geld. Et cetera.

Voor de 19e -eeuwse handelaren en fabrikanten was de nuttigheidsfilosofie van Bentham de opmaat naar het versnellen van de industriële revolutie welke werd aangedreven door wetenschap en technologie. Bentham c.s verschaften de morele rechtvaardiging voor hun materialistische amorele handelen, welke de Christelijk religieuze geloofsovertuigingen hun onthielden.

In de tweede helft van de 19e eeuw waren de ideeën over vrijheid en nuttigheid inmiddels gemeengoed geworden bij de progressieve burgerij. De politieke basis voor het denken van de (toen nog als radicaal beschouwde) liberalen. Honderd jaar later is nuttigheid inmiddels een dogma van ons nieuwe economisch geloof geworden.

Pieter Omtzigt niet knuffelen

Nu Pieter Omtzigt door iedereen heilig verklaard is wordt het zijn collega-politici en vooral de media onmogelijk gemaakt om ooit nog kritiek op hem te uiten op straffe van cancelling. Als psycholoog/psychotherapeut vertel ik u dit:

  • als je een flinke burn-out hebt dan mag je er wel een jaar voor uit trekken om weer goed te kunnen functioneren;
  • je helpt Omtzigt er niet mee om hem te ontzien en als slachtoffer van ‘het systeem’ neer te zetten, in tegendeel.

Burn-out is een toestand van mentale uitputting die gepaard gaat met een serie psychische en lichamelijke klachten: concentratieproblemen, gejaagdheid en onrustgevoelens, angst-, woede- en depressiegevoel, besluiteloosheid, apathie, sterke vermoeidheid, slaapstoornissen, onverklaarbare lichamelijke klachten, e.a.

Het verraderlijke van een burn-out is dat je het pas door hebt als je erin zit, vaak pas als je lichaam het opgeeft, altijd te laat dus. Het probleem is dat je te lang doorgaat jezelf te belasten met datgene wat op je afkomt, meestal de hoeveelheid werk, collegiale spanningen en arbeidsconflicten, soms een serie verliezen kort op elkaar (overlijden, scheiding, e.d.). Te lang doorgaan terwijl je eigenlijk stil zou moeten staan bij wat je overkomt. Doorgaan terwijl je eigenlijk tijdig hulp zou moeten vragen, begeleiding, coaching. Alsmaar doorgaan terwijl je eigenlijk tijd moet nemen om te reflecteren, te rouwen, uit te zoomen1 en te resetten, dat is funest.

Om te herstellen is veel tijd nodig en psychotherapie om zicht te krijgen op de manier waarop je met je emoties en met anderen omgaat, op je kijk op de (boze) wereld. Fysieke en mentale rust zoeken is niet de oplossing; lichamelijke conditietraining en de zelfconfrontatie aangaan is het begin van herstel. De volle verantwoording nemen voor je toestand en stoppen met de wereld als het kwaaie beest te beschouwen is het uitgangspunt waar je mee gebaat bent (je verdiepen in de Stoïcijnse school zou ik zeker aanraden).

Omtzigt is geen politieke heilige, geen zelfopofferend slachtoffer, geen volksheld maar een man met moeilijke kanten, zoals wij allemaal dus. Benoem zijn grote verdiensten, zeker, dat verdient hij volop. Maar schroom niet om ook zijn lastige kanten te benoemen, in alle eerlijkheid, zonder er een partijpolitiek of mediaslaatje uit te slaan. Dat zal hem uiteindelijk meer helpen dan al die publieke knuffels. Omtzigt is weer hersteld als hij het aan kan om politiek weer de wind van voren te krijgen.

We geloven vaak zelfs niet meer in wetenschap of wetenschappers (wat we geloven 2)

De rationale visie van de Verlichting bracht ons wetenschappelijke kennis van de materiele werkelijkheid en praktische technologische knowhow. Maar de rede kon weinig met de andere twee werkelijkheden, waarmee wij als mensen altijd  te maken hebben: die van de onderlinge menselijke relaties en daar direct mee samenhangend: de wereld van de menselijke ideeën over die drie werkelijkheden. Maar de wetenschapsbeoefening zelf werd wel door de ideeën over de werkelijkheid beïnvloed welke een grote invloed hadden op de mensen die wetenschap beoefenden.

De massale toestroom van studenten naar de universiteiten veroorzaakte een ongekende schaalvergroting van de universiteiten. Het bedrijfsmatige model dat economen toen ook voor de universiteiten zelf begonnen te propageren, betekende dat de managers/technocraten de besturing van het wetenschapswerk overnamen. Tegenwoordig is het grootste deel van de wetenschapsbeoefening gericht op winstgevende toepasbaarheid – op mogelijk profijt. Veruit de meeste wetenschappers hebben geen vaste sinecure meer van waaruit ze vrijelijk kunnen bepalen wat ze willen onderzoeken. Onderzoek moet betaald worden en wie betaalt bepaald.

Daardoor is wetenschappelijk onderzoek slechts een middel geworden om nuttige profitabele produkten te ontwikkelen, welke in de vrije markt geëxploiteerd kunnen worden. Vooral de natuurwetenschappen zijn inmiddels diepgaand gecorrumpeerd door de grote bedrijven, niet in de laatste plaats door wetenschappers die zich hier uiterst profitabel voor laten lenen. Het leidde ook tot de huidige enorme productiviteitsdruk op-  en de publicatie- en profileringsdrang van wetenschappers. Wetenschap is dus bepaald niet meer waardenvrij noch is enigerlei integriteit (behalve op papier) gewaarborgd. 

Het is in deze ambiance dat wetenschappers en persbureaus van universiteiten voor het grote publiek hun gezag verloren, ‘geholpen’ door de massamedia. Nog altijd verkondigen wetenschappers dat niet wetenschappelijk bewezen uitspraken subjectief zijn. Dat waarheden die niet betrekking hebben op de materiele wereld relatief zijn en cultureel bepaald. Dat dat soort waarheden vooral ‘talig’ is, en feitelijk betekenisloos. Geen wonder dat een groot deel van de burgers er inmiddels van overtuigd is dat alle waarheidsclaims subjectief en relatief zijn, ook wetenschappelijke. Behalve natuurlijk hun eigen overtuigingen.

Metafysica en Ethiek als onderdeel van de Filosofie verdwenen na de Tweede Wereldoorlog van de universiteiten. Immers er waren in de visie van de ‘harde wetenschap’  geen  algemene uitspraken mogelijk over het doel van de kosmos, over moraal en onderliggende ethiek: over hoe een mens moet leven of hoe mensen moeten samenleven. Filosofie en ethisch-morele oordelen werden onderdeel van gespecialiseerde deskundigen, die dan wel geen ware uitspraken konden doen, maar slechts de weegschaal konden optuigen voor ‘maatschappelijke discussie’. Statistisch onderzoek werd het middel om overtuigingen van burgers te inventariseren, ‘nudging’ via publiciteitscampagnes (Sire etc.) om burgers een beetje naar maatschappelijk aanvaardbaarder overtuigingen te duwen. 

Wat helemaal niet meer past in het harde productieve plaatje van de wetenschap zijn de ervaringen van 130 generaties Europeanen sedert de oude Grieken, van 2500 jaar Europese beschaving. Wetenschap en kennisverwerving richt zich in de eerste plaats nog op de toekomst.

Vergeten zijn de kern overtuigingen uit het Griekse, Romeinse en Christelijke denken van al die eeuwen:

  • dat we transcendente wezens zijn die zich altijd zullen afvragen ´waartoe wij op aarde zijn´, waarom er ‘iets’ is in plaats van ‘niets’, wat onze betekenis is in de kille kosmos. Dat we elkaar daar altijd verhalen over zullen blijven vertellen ook al beschouwen wetenschappers dat als een weinig volwassen behoefte.
  • dat de mens gemakkelijk geneigd is tot kwalijk gedrag jegens anderen, als hij zich slechts laat leiden door zijn de menselijke begeerten, waaronder vooral ook de hang naar status (en roem). We willen wel gelijk zijn, maar vooral ook beter dan de ander. Een hogere positie op de apenrots.

In de pre-industriële Europese cultuur hielden filosofen zich eindeloos met dit soort vragen bezig. Niet alleen met God, maar vooral ook met de mens. Meer dan 50 gevoelens/emoties werden onderscheiden welke optreden als motief en gevolg van handelingen van – en tussen mensen. De meeste van die beschrijvingen staan tegenwoordig alleen nog in woordhoekjes van kranten. De jongere generaties zijn er niet meer mee bekend. Maar zij zouden die beschrijvingen van gedrag en emoties nog altijd prima herkennen als wat specifiekere en diepgaandere invulling van ‘leuk’ of ‘niet leuk’. 

We geloven niet in het kille wereldbeeld van de wetenschap (wat we geloven 1)

De ontwikkeling van de empirische wetenschap en de daaruit voortvloeiende kennis en technologie heeft het wereldbeeld van de Europese mens fundamenteel gewijzigd. De wetenschap heeft de kosmos, de wereld en de mens zelf tot materie verklaard. Ook de mens bestaat slechts uit chemische stoffen waarin leven is ontstaan.

De kosmos is het resultaat van een oerknal, het leven op aarde een gevolg van natuurlijke evolutionaire ontwikkeling, de mens een ge-evolueerde hominidae (mensaap). Ons bewustzijn vormt slechts een immanent natuurkundig verschijnsel voortkomend uit ons brein.

De kosmische ontwikkeling heeft geen doel, materie is altijd onderhevig aan entropie (verval), iedere vorm van leven wordt slechts voortgedreven door de inherent aan leven energetische kracht van de voortplanting.

Alleen op rigide wetenschappelijke wijze verworven kennis kan als waarheid worden aangenomen. Vragen die niet op wetenschappelijke wijze onderzocht kunnen worden, betitelt de wetenschap als betekenisloos.

Over de mens en de menselijke samenleving kan op grond van biologie (o.a. genetisch), gedragskundig, sociologisch en psychologisch feitelijke kennis worden verworven, vooral op grond van natuurkundig, biologisch- en statistisch onderzoek. De menselijke wereld van de ideeën (religie, filosofie, ethiek en moraal, normen en waarden etc.) worden als subjectief bestempeld: daar kan de wetenschap geen uitspraken over doen.

Kortom de mens is wetenschappelijk gezien een doelloos uit sterrenstof voortgekomen mensaap, die zichzelf op grond van zijn bewustzijn en zijn onontkoombare dood zichzelf – al voortplantend –  reeds tientallen eeuwen betekenisloze vragen stelt en al dan niet met anderen gedeelde subjectieve ideeën en opvattingen heeft over de wereld waarin hij of zij leeft. Immers van die ideeën kan de waarheid wetenschappelijk niet worden vastgesteld. De wetenschappelijke opvatting van de wereld is nihilistisch, waarden-loos.  

Geen mens kan met dit kille betekenisloze mechanistische wereldbeeld zijn leven vormgeven. Dus gebruikt de mens zijn enorme menselijke verbeeldingskracht om een eigen wereldbeeld te scheppen. We geloven simpelweg iets anders, dan de wetenschap ons voorhoudt. We creëren onze eigen waarheid op grond van onze eigen ideeën op basis waarvan we ons leven wel betekenis kunnen geven. Want dat is inmiddels wel een wetenschappelijke en filosofische waarheid die diep in het bewustzijn van de moderne Europese mens is doorgedrongen: ons leven heeft slechts de betekenis die we er zelf aan geven.

De filosofische kritiek op dit kille wereldbeeld kwam al vroeg in de 19e eeuw tot stand, in eerste instantie in Duitsland: de Romantische beweging. Een citaat uit Wikipedia: ‘Tegenover het rationalisme van de Verlichting stelden de vroege romantici, zoals Friedrich Schiller en daaraan voorafgaand Johann Gottfried Herder, dat het kennen van de mens dieper reikte dan wat de zintuiglijke waarneming gewaar kon worden. De werkelijkheid achter de materiële verschijningsvormen was een geestelijke dimensie waaruit zij was voortgevloeid’.

De sterk aan menselijke verbeelding en -gevoelens gerelateerde filosofie van de Romantiek als antithese van de over-rationele Verlichting, vormde de basis voor allerlei bewegingen en filosofische stromingen sedertdien, waaronder de cultuurrebellie in de jaren zestig en de New Age achtige stromingen vanaf dien tot op heden, waaronder de visie op de unieke authenticiteit van het individu. Een idee waar we in latere artikelen nog verder op terug zullen komen.

Wat geloven we tegenwoordig (wel of niet)?

De moderne Europese mens is niet christelijk religieus meer. Die gelooft misschien wel in een kosmisch iets, maar niet meer in de God van de bijbel. Het zondagse bezoek van een kerk lijkt, ook in andere Europese landen, vooral een sociaal gemeenschappelijk gebeuren te zijn geworden.

We zijn de afgelopen honderd jaar langzamerhand een andere religie gaan aanhangen, een geloof waarbij de mens zelf centraal staat, rond de begrippen: vrijheid, individu, gelijkheid, democratie, vrije markt en werk, waarbij als doel van het leven het streven naar een individueel gelukkig leven centraal staat (1). Voor die religie is geen consistent verhaal beschikbaar of een heilig boek. Een ieder moet dat verhaal op eigen wijze invullen. De vraag is dan natuurlijk wel wat we dan geloven rond die begrippen en wat we als een gelukkig leven beschouwen.

De filosoof Isaiah Berlin definieerde het begrip vrijheid enerzijds in traditioneel negatieve zin: vrij zijn van …. Niet gehinderd worden door machten of krachten buiten jezelf om je eigen leven vorm te geven. Eenvoudigweg: niet beperkt worden door anderen in de samenleving. Maar wel onder de voorwaarde dat je de ander niet in zijn vrijheid beperkt of schaadt. Het traditionele liberale vrijheidsbegrip.

Maar Berlin formuleerde anderzijds het begrip vrijheid in positieve zin: vrijheid waartoe? Wat willen we als mens doen met die vrijheid? Op dit punt lopen de geloofsrichtingen tussen moderne mensen als een waaier uiteen. Want het vorm geven van een vrij leven is gebaseerd op datgene wat we als mens van essentiële waarde achten om een gelukkig leven te kunnen leiden. Maar tussen mensen bestaat een groot verschil in de waarden die ze als waardevol ervaren.

Een tweede pijler in het nieuwe moderne geloof is dat ieder mens een uniek individu is die zijn leven in vrijheid op basis van die volstrekt eigen authenticiteit vorm moet geven. Dat betekent wel dat we die authenticiteit, dat unieke zelf, in onszelf eerst moeten leren ontdekken en daarna een vorm van gelukkig leven moeten leren ontwikkelen die bij die authenticiteit past.

De derde pijler betreft de volstrekte gelijkheid tussen mensen. Op dit punt bestaan aanzienlijke geloofsverschillen. Want wat betekent gelijkheid? Gelijkheid voor de wetten van de gemeenschap, gelijkheid van kansen, gelijkheid bij behandeling door derden of bijvoorbeeld gelijkheid in maatschappelijke positie en inkomen? Het probleem daarbij is dat, als tussen mensen sprake is van verschillen in bezit en macht, er automatisch sprake is van ongelijkheid.

Het vrije, aan anderen gelijke unieke individu kan alleen maar zijn leven vorm geven in een samenleving die de grondrechten van haar burgers garandeert, en dus rechtsbescherming en veiligheid biedt. Dat is alleen mogelijk in een democratie, waarin de burgers hun eigen bestuurders kiezen. Maar al is dat het geval: ook democratieën functioneren feitelijk op heel verschillende wijzen waarbij meerderheden minderheden kunnen benadelen en minderheden zelfs toch hun keuzen kunnen opleggen aan meerderheden. Kortom: er bestaan grote verschillen in opvatting van wat een democratie eigenlijk behelst.

Op deze vier pijlers van het moderne geloof rust de wereld van ons dagelijks leven waarin werk centraal staat, niet alleen om je brood te verdienen maar ook om je plek in de wereld te markeren. Wat voor werk we doen is onze belangrijkste identiteit (wat doe je?..). Dat werk wordt uitgeoefend binnen een inmiddels wereldwijd economisch organisatiesysteem van vrije markten en particuliere ondernemingen. De vrije private markt als enige juiste economische organisatievorm is inmiddels wereldwijd een orthodox absoluut geloofsartikel geworden, ook al vertoont het al enige tijd forse scheuren.    

Tot slot is er de ondergrond voor de geloofspijlers en ons dagelijks werkende leven. Dat is de visie op de kosmische werkelijkheid van wetenschap en technologie, voortgekomen uit de Europese filosofische ideeën van de Verlichting sedert het midden van de 18e eeuw.

Op alle bovengenoemde onderdelen van de nieuwe religie van de moderne Europese mens wil ik in komende artikelen ingaan.

(1). Deze indeling is in belangrijke mate gebaseerd op het nieuwe boek van Andreas Kinnegin: De onzichtbare maat – archeologie van goed en kwaad (2020).

Losse notities week 17

  • De app van de NOS is de afgelopen week ook al in een plaatjesboek veranderd. Titel plus plaatje vormen nu al voldoende nieuws en nodigen niet meer uit tot lezen. Dit soort ‘moderne’ nieuwsbenaderingen ondergraven nog verder de nauwelijks meer aanwezige leesvaardigheid van de jongere generaties.
  • Nationaal en Europees is sprake van eindeloze discussies over Covid-paspoorten om te kunnen reizen. Voor landen met vaccinatieverplichtingen (Gele koorts e.d.) was er Europees al 50 jaar het gele vaccinatieboekje. Een sticker van het vaccin, de datum en een stempel vormden voldoende bewijs (zoals nog steeds wordt gebruikt voor huisdieren). Een Covid boekje hoeft niet meer te omvatten dan 3 pagina’s: vaccinaties, test antigenen (al Covid gehad) en testdata.  Ingewikkelder is het niet, ook niet als app op een telefoon. Maar de meestal falende IT systemen van de overheid zullen zelfs een dergelijk systeem niet aankunnen, want er zullen heel (te) veel extra eisen worden gesteld ten aanzien van de massale verwerking van de data van uitgegeven paspoorten in grote systemen. Plus eindeloos veel privacy bezwaren.
  • Volgens onderzoeksjournalisten van de NRC vormt de Rotterdamse haven ondergronds Europa’s grootste distributie centrum voor harddrugs. Als je het verhaal leest sta je enerzijds versteld van de verfijnde plannings- en besturingstechnieken van de criminele managers – grotendeels gebaseerd op corrupte werknemers en transporteurs in en rond de organisatie van de haven. Treedt daar maar eens tegen op als politie of justitie. Anderzijds is het logisch: ze hebben fantastische voorbeelden aan de wijze waarop het gewone bedrijfsleven werkt.
  • Meten is weten. Maar wat gemeten wordt is vaak te onbetrouwbaar voor wat je wilt weten, de meetgegevens worden nog onbetrouwbaarder door de verwerking en de uitkomsten van de meting worden ook nog eens verkeerd geïnterpreteerd en gepresenteerd. Twee Amerikanen schreven er recent een onthutsend boekje over: ‘Calling bullshit  in a Data driven World’ (Jevin West/ Carl Bergstrom). Nu snap ik waarom het RIVM naar huisartsen verzonden vaccins al als geprikt beschouwde, terwijl bij de huisartsen de koelkasten uitpuilden van de voorraden. En het was geen klein meetfoutje.

Als de Rente stijgt….?

De rente in de Eurolanden is al vele jaren zeer laag. Dat is een gevolg van bewust beleid van de Centrale Bank in Frankfurt. Altijd wordt vanuit Frankfurt gesteld: zolang de inflatie in de Eurozone gemiddeld niet boven de twee procent komt, is er geen aanleiding de rente te verhogen. Maar feitelijk voeren de bestuurders van dé bank deze politiek om een hele andere reden

Er is al jaren weinig aanleiding voor inflatie als het gaat over de wereldwijde vraag naar dagelijkse goederen. Let wel: vraag, niet behoefte. Immers de vraag wordt bepaald door het besteedbaar inkomen van mensen, niet door wat ze nodig hebben. Met een overvloed aan goedkope arbeidskrachten wereldwijd en voortdurend productievere technologie is er ruim voldoende aanbod van door consumenten gevraagde goederen. Alleen als de vraag hoog is en het aanbod laag stijgen de prijzen. Zoals nu in het geval is bij de produktie van computerchips. In Europa worden prijsstijgingen van dagelijkse goederen echter eerder veroorzaakt door de overheden (bijv. btw verhoging) dan door de markt.

Bij het huidige inflatieniveau van 1-2% zou de rente standaard ongeveer 3-4% moeten bedragen. Maar de feitelijke rente in de verschillende financiële markten is bijna nul of zelfs negatief. Dat is het gevolg van een enorme overvloed aan geld/kapitaal in de wereld. Dat heeft drie oorzaken:

Ten eerste. De financiële crisis van 2008 (als gevolg van wereldwijde commerciële financiële speculatie) is overal ter wereld opgevangen door de overheden via zware overheidsbezuinigingen en verhoging van overheidsschulden. Die schulden zijn door de Corona crisis nog eens fors extra gestegen.

De Centrale banken in de economisch hoogontwikkelde landen financieren die overheidsschulden door enerzijds de rente zeer laag te houden en anderzijds dagelijks veel nieuw geld in hun economieën te pompen. De Zuid- en Oost Europese landen, maar ook bijvoorbeeld Engeland, zouden zwaar in de problemen komen als ze op de enorme staatsschulden een hogere rente zouden moeten betalen. Daarom houdt de Europese Centrale Bank de rente laag in plaats van op 2-3% en pompt de bank daarnaast veel geld in de Europese economie.

Maar tegelijkertijd is wereldwijd een enorme overvloed aan spaargelden beschikbaar van een verouderende wereldbevolking. Er is dus geld in overvloed beschikbaar tegen een uiterst lage rente. Echter: er is relatief weinig vraag naar al dat beschikbare kapitaal voor investeringen ten behoeve van de produktie van nieuwe goederen en diensten. Het internationale bedrijfsleven gebruikt dat goedkope kapitaal in plaats daarvan om:

  • de bereikte marktposities verder te monopoliseren door het tegen enorme bedragen overnemen van concurrenten of potentiele toekomstige concurrenten (start-ups).
  • hun schuldpositie goedkoop te verhogen en met dat geld hoge dividenden aan aandeelhouders uit te keren of eigen aandelen tegen hoge prijzen in te kopen om hun aandelenprijs hoog te houden.

In de huidige tijd investeren grote bedrijven, ondanks alle grootspraak, relatief weinig nieuw kapitaal in het risico van het ontwikkelen en produceren van nieuwe goederen en diensten. Het is qua winst interessanter om bestaande goederen en diensten met hogere prijzen uit te melken (farmaceutische industrie) of door verlaging van de kostprijs de winst te verhogen (technologie, flexibele arbeidskrachten etc.).

Zelfs ten behoeve van de gigantische wereldwijde vraag naar vaccins tegen Covid, investeerden bedrijven alleen indien ze daarvoor voldoende overheidsgaranties verkregen. In die zin is er bij grote internationale bedrijven nauwelijks sprake meer van risicovol ondernemen. De overmatig betaalde directies kiezen voor de veiligheid van het uiterst winstgevend exploiteren van marktmacht en houden op die wijze de aandeelhouders tevreden.  

De enorme bedragen beschikbaar in de kapitaalmarkten tegen lage rente worden echter wel gebruikt door particulieren, vooral om woningen in stedelijke gebieden te kopen. Dat heeft in alle Westerse landen door schaarste een sterk prijsopdrijvend effect gehad.

Als de rente zou stijgen komen nu 5 partijen fundamenteel in de problemen:

  1. Overheden met veel te hoge overheidsschulden die als gevolg van de stijgende rente moeten bezuinigen;
  2. Bedrijven met veel te hoge bedrijfsleningen in verhouding tot het eigen vermogen die als gevolg van de stijgende rente hun winsten zien dalen en dus  hun aandelenkoersen;
  3. Particulieren met veel te hoge woningschulden bij dalende woningprijzen als gevolg van die hogere rente;
  4. Banken die wel meer winst kunnen maken door een hogere rente, maar veel van die te hoge leningen aan bedrijven en particulieren niet terug betaald krijgen.
  5. Beleggers die hun winsten van de afgelopen jaren zien verdampen in dalende aandelen- en obligatiebeurzen.

Een recept dus voor economische neergang. Het is derhalve logisch dat de Centrale Banken in de hoog ontwikkelde economieën zo lang mogelijk krampachtig vasthouden aan een lage rente en het scheppen van nieuw geld. Ze hebben geen alternatief meer.

De overgewaardeerde aandelenbeurzen en de enorme schuldposities van overheden, bedrijven en particulieren vormen een uiterst instabiele ondergrond voor de toekomstige economie. Een economische vulkaanuitbarsting net als in 2008 is inmiddels niet langer uit te sluiten, net als een volgende nieuwe virusepidemie.