Beter twijfelen dan zeker weten (2)

Zo ongeveer moet het wel gegaan zijn: de bakens van zekerheid, veiligheid en vertrouwen verschoven in de menselijke geschiedenis van veel- en afgoderij tot aan het hedendaagse nihilisme (dat zelfs de empirische wetenschap heeft geannexeerd).

Maar wat niet verschoof is de onderliggende en genetisch ingebakken overlevingsbehoefte om de wereld te begrijpen, te voorspellen en te controleren. En voor de invulling van die primaire behoefte zijn twee dingen nodig: a) de illusie van een overlevingsbaken buiten ons, dat ons de weg wijst als we het zelf echt niet meer weten, b) de illusie van een persoonlijk, innerlijk baken waarmee we de dagelijkse wereld praktisch tegemoet treden om te overleven. Een metafysische overlevingsillusie en een psychische overlevingsillusie, zou je kunnen zeggen (1). 

Voor de metafysische, collectieve illusie heb je een religieuze of seculier ideologische ‘kerk’ nodig: een in een gemeenschap gedeelde opvatting hoe de wereld in elkaar zit, wat van waarde, zin en betekenis is. Het is een overlevingsstrategie, een baken op populatieniveau, die ‘gepredikt’ moet worden.

Op individueel niveau heb je de illusie van een Ik, een Psyche, een Ziel, oftewel een innerlijk baken nodig dat sturing en controle geeft over het dagelijkse handelen. Dat gevoel van eigen sturing en controle kan alleen gevoeld worden als men zichzelf fundamenteel ziet als iemand met een vrije wil, iemand die keuzes kan maken en die daarvoor in vrijheid moet leven. Als je het externe metafysische baken weghaalt, en het collectivistische religieuze of ideologische gemeenschapsdenken laat verwateren, dan heb je noodzakelijkerwijs veel Ik, identiteit, vrije wil en vrijheidsdrang nodig om dat verlies te compenseren.

Die hooggewaardeerde westerse ideologie van zelfbeschikking, democratische vrijheid, individuele en identitaire waarden, die kwam er niet voor niets. We gaan er dagelijks al protesterend de straat voor op en voeren er desnoods desastreuze oorlogen voor om ze te behouden. Maar in veel opzichten zijn die westerse waarden tegelijkertijd niets anders dan een niet zelfgekozen, maar een noodzakelijke evolutionaire uitkomst van het menselijk denkvermogen. We zullen die individualistische waarden wel moeten omarmen, onvrijwillig, om het hoofd boven water te houden. En natuurlijk zullen we tegelijkertijd die impliciete onvrijwilligheid graag ontkennen en ons op de borst kloppen voor die ‘zwaar bevochten vrijheden’.

Ons westers-individualistisch denken heeft (evenals het niet-westerse collectivistische denken) zijn eindpunt natuurlijk niet bereikt, het zal echt wel verder evolueren. En opnieuw: niet vrij-wil-lig maar noodzakelijkerwijs. En, net zoals in vroeger tijden, we hebben geen idee in welke richting, in welke vorm en met welke snelheid. Een ding lijkt me wel vrij zeker: dat we voorlopig nog een boel goeie illusies over onszelf en de wereld nodig hebben om het met elkaar uit te houden. En dat we maar beter permanent aan onszelf kunnen blijven twijfelen dan stug blijven volhouden iets zeker omtrent onszelf en welke Waarheid dan ook te weten. Dat voorkomt een boel ellende.

(1) Pas in de 19e eeuw komt er een derde en cruciale overlevingsfactor bij: de democratische staatsvorm die het vrije denken van individuen toestaat. Het streng normatieve, (zelf)repressieve denken onder de theocratieën en monarchale autocratieën verdwijnt en maakt plaats voor het recht op vrije meningsuiting, expressie en communicatie.Die omstandigheid veroorzaakt een stroom van innovatieve ideeën op vrijwel elk maatschappelijk terrein: de competitieve vrije markt van ideeën is geboren. Vooral innovatieve technologische ideeën krijgen ruim baan: de industriële revolutie is geboren wat de samenleving (tot dan toe 90% boerenbevolking) onomkeerbaar veranderde. De plotselinge en wereldwijde bevolkingsexplosie die er op volgde is een bewijs dat de vrijheid van denken zeer sterk bijdraagt tot evolutionaire overleving. Althans tot nu toe

Beter twijfelen dan zeker weten (1)

Hoe lang duurt het voordat een kind wordt bevrijd van zijn magisch denken, van zijn vrolijke fantasiewereld en zijn angstig bijgeloof? Nou ja, je frontaalcortex, de plek waar het logisch kritische denken in je brein is gehuisvest, is pas op je 24ste jaar uitgegroeid (1)!

Hoe lang heeft het geduurd voordat de mens zich enigszins bevrijdde van zijn primitieve denken, zijn geloof dat stenen, dieren, bomen en het water allemaal bezield zijn, zich bevrijdde van zijn animistisch denken, zijn geloof aan magische, mythische, goddelijke en demonische krachten? Nou ja, de Verlichting, de historische periode waarin het empirische oorzaak en -gevolg denken zich sterk ontwikkelde en het pré-rationele denken terug werd gedrongen, dat verlichtingsdenken is er op de evolutionaire schaal van ons bewustzijn nog maar sinds gisteren.

Er lijkt wel een parallel te bestaan tussen de ontwikkeling van het kinderlijk denken en de evolutie van het volwassen denken. Zowel op het individuele als op het populatieniveau gaat de ontwikkeling van het denken steeds verder in de richting van meer inzicht (b.v. via wetenschap), en dus meer voorspelbaarheid (b.v. via wiskunde) en controle (b.v. via techniek) krijgen over de chaotische en raadselachtige wereld om ons heen.

Die niet aflatende wil om de nevelige wereld steeds beter te onderzoeken en te begrijpen, en daarmee te voorspellen en te controleren, die drijfveer dient er evolutionair natuurlijk voor om onszelf lijfelijk veilig te stellen en emotioneel veilig te voelen. Onderzoeken en proberen te begrijpen, en niet blindelings vertrouwen in wie of wat dan ook, is voor het praktische mensendier de meest effectieve manier om te overleven en zich voort te planten. We gebruik(t)en voor dat overlevingsdoel naast praktische kennis ook ‘talige kennis’: zwaar beladen begrippen, symbolen, metaforen en verhalen waaraan we ons vast kunnen houden, bakens in barre tijden wanneer onze binnen- en buitenwereld chaotisch tekeer gaan.

In pré-rationele tijden gebruikten we zeer krachtige, heilige bakens: Goden, die door de tijd heen in aantal gereduceerd werden tot één god, die vervolgens uit de natuur in een boek gestopt werd om van daaruit ons de Waarheid en de veilige weg te wijzen. Toen in seculiere tijden God dood werd verklaard bleef er alleen nog het streven naar de seculiere Waarheid over, als enig en laatste baken om je op te richten. Het gaat daarbij niet om begrippen als waarachtigheid, waarheid spreken, transparantie, eerlijkheid, e.d., want die zijn van een andere, meer vloeibare, sociale orde. Nee, hier gaat het over de Waarheid in vaste vorm, als de uiteindelijk nog te vinden antwoorden op de eeuwige universele filosofische vragen: wie zijn wij, waar komen wij vandaan, waar moeten we naar toe, wat is er na de dood, wat is zijn, wat kunnen we weten?

Maar hier werd het opnieuw problematisch in filosofieland (2), want in onze postmoderne tijd is het waarheidsconcept, als metafysisch of universeel richtsnoer, al lang weer verkruimeld tot tientallen relativistische waarheden. En dat betekent dat er uiteindelijk van de Waarheid niets anders overbleef dan de Twijfel aan alles. Of zelfs nog verder: de radicale afwijzing van alle twijfel aan alle verschillende waarheden. En die opvatting wordt dan weer een zekerheid, een vaste overtuiging dat er geen enkele universele of absolute grond is waarop men de wereld zou kunnen kennen, en geen enkele grond waarmee men het bestaan betekenis of zin zou kunnen geven. Daarmee is het nihilisme geboren, zo aan het begin van de 20e eeuw(3). En het is sindsdien niet meer weggeweest!

(1)De anatomische lokalisering van onze ‘kritische geest’ in de frontaalcortex is een versimpeling; in feite werken vele evolutionaire oudere hersenstructuren dan de cortex in neurale netwerken samen om  ‘kritisch denken’ mogelijk te maken.

(2) De Amerikaanse filosoof en psycholoog William James (1842-1910) vond dat filosofen wel eens wat te veel eer toebedeeld krijgen; hun filosofieën zouden vaak niet veel meer zijn dan een verzameling subjectieve, door emoties, temperament en praktische overwegingen gemotiveerde ideeën, verpakt in een onpersoonlijk, objectief jasje (Vanno Jobse, 2018). James’ opvatting dat filosofische ideeën vaak sterk persoonlijk gekleurd zijn doet niets af aan hun waarde en hun breed maatschappelijk draagvlak. Immers, de fundamenten van ons rechtsstelsel, de empirische wetenschap, de economische, politieke en ethische ideologieën liggen diep in de filosofie verankerd.

(3) Een vorm van nihilisme bestond al bij de oude Griekse sceptici (±365 v.C.— ±200 n.C.) en is sindsdien in de geschiedenis van de filosofie niet weggeweest, maar ze kreeg voor de Verlichting nooit vaste voet aan de grond. De sceptici propageerden de denkhouding van de twijfel aan alles, omdat ze alle kennis en waarheid als relatief beschouwden. De twijfel als grondhouding, als een way of life, is inmiddels in onze huidige wetenschappelijke methode ingebouwd. We weten voorlopig iets, totdat we weer iets beters weten, etc. Twijfel is de motor waar kennis- en technologiegroei op draait en waarmee het denken zich ontwikkelt. Of we daar uiteindelijk beter van worden kan men in twijfel trekken.

Je weet het wel maar je snapt het niet

Je kan denken, voelen, ervaren en zeggen wat je wilt maar het komt allemaal uit je brein. Punt. Geen speld tussen te krijgen. Wat filosofen, wetenschappers, politici, ondernemers, kunstenaars ook allemaal beweren, het komt allemaal uit hun brein. Is het daarom niet redelijk om eerst dat brein als gemeenschappelijk vertrekpunt te nemen wanneer we iets beweren over onszelf, over de wereld (en de kosmos voor mijn part)?

De vraag is hoe het brein tot denken, voelen, ervaren en maar van alles beweren komt. Hoe het brein in elkaar steekt, wat zijn functies en vooral zijn limitaties zijn. Een muis en een olifant mogen denken dat ze de wereld (genoeg) kennen, maar dat is natuurlijk niet zo. Precies zo wat betreft het mensdier.

Alles begint dus bij het functioneren van onze hersenen. De rest, van rekensommen tot religie, van dommigheid tot wijsheid, van lijden tot genieten, het blijft de uitkomst van ons hersenwerk.En hier begint natuurlijk een gigantisch probleem, want de kennis over ons brein is vooral de laatste decennia enorm toegenomen door toedoen van neurowetenschappers, microbiologen, psychologen (e.a.) en de ondersteunende computertechnologie, maar het breinmysterie is nog lang niet opgelost, mocht het al ooit opgelost worden.

Het aardige is dat er wel onderzoekers zijn die inmiddels, met de laatste stand van breinkennis, de brug durven te slaan tussen het functioneren van de hersenen en de grond waarop b.v. de filosofie zou (moeten) staan. Iain McGilchrist (*), psychiater en filosoof, is een van degenen die zich bezig houden met vragen rond het ontstaan van menselijke waarden, hoe onze verbeelding, intuïtie, creativiteit, maar ook logica en gezond verstand in verband staan met de hersenarchitectuur en het verschillend functioneren van de asymmetrische hersenhelften (**) – zoals bij alle sociale dieren.

Hoe de linker hersenhelft nogal impulsief, praktisch en talig ingesteld is en snel probeert een logisch-reductionistische greep op de wereld te krijgen. En hoe de rechter hersenhelft die de ‘nogal dommige linkerhelft’ afremt in zijn te snelle conclusies en het geheel van informatie probeert te overzien, d.w.z. hoe die context en betekenis aan alles geeft. Hoe de linkerhelft het spotlicht zet op een expliciet detailpunt van het wereldpodium en met zijn geconcentreerde, bewuste aandacht heen en weer slingert. En hoe de rechterhelft de context van het hele podium laat zien, met een impliciet bewustzijn, een impliciet begrijpen.

Links is expliciete praktische kennis, is weten, is uiteindelijk wetenschap, wetenschap die gefragmenteerd is in duizend kennisgebieden. Rechts is impliciet begrijpen, in de vorm van religie, mythe, belief-systems, paradigma’s, het niet-bewuste. Rechts is de poging om al het denken, voelen en ervaren een omvattende betekenis te geven. Links is logische analyse, inductie en reductie, het breekt de werkelijkheid in stukjes. Rechts is synthese en deductie, het geeft zicht op samenhangen, op sociale en emotionele verhoudingen, op de binding met de wereld. Links is inzoomen, rechts is uitzoomen.

Als je rechter hersenhelft aangetast is, b.v. door een hersenbloeding, begrijp je de emotionele en sociale wereld niet meer, maar blijf je met je onaangetaste linker hersenhelft de praktische hier-en- nu zaken wel uitvoeren. Of omgekeerd, de linker hersenhelft is kapot, waardoor we ons met taal niet meer goed kunnen uitdrukken, maar de wereld nog steeds goed en met empathie kunnen begrijpen.

We zien de wereld en onszelf dus op twee verschillende manieren, maar ervaren hem toch als een geïntegreerd geheel (***). We zien de wereld en onszelf voor zover de beperktheid van de linker hersenhelft er met zijn bewuste verstand in kan doordringen. En voor zover de beperktheid van de rechter hersenhelft er chocola van kan maken. Het lijkt een rommeltje bij elkaar maar we doen het ermee. En als soort nog aardig succesvol mede gezien de bevolkingsexplosie van de laatste paar duizend jaar.

Wel jammer dat de levensfilosofie met zijn Grote Verhalen over waar de mens vandaan komt, wat zijn bestemming is, hoe de wereld en de kosmos in elkaar steekt, steeds meer terrein lijkt te verliezen. Oftewel, jammer dat het rechter hersenhelft-denken steeds verder afgedreven is van het linker hersenhelft-denken, dat van alles denkt te meten en te weten, maar niks werkelijk begrijpt. Hoe meer details we van de materiële wereld weten hoe minder we het geheel begrijpen, dat is de tegenwoordige klacht (****).

Filosofie was tweeduizend jaar geleden nog één klont (zelf)kennis, wetenschap en religie en ze destilleerde daaruit de cultuurregels voor het goede leven. Vooral sinds de Verlichting verloor de rechter hersenhelft het wijze meesterschap over de domme boodschapper die de linker hersenhelft altijd is geweest. En daar zitten we nu mooi mee opgescheept, want enerzijds heeft het weten ons veel opgeleverd aan praktische kennis en vaardigheden, aan wetenschap en techniek, welvaart en overlevingskracht, maar anderzijds loopt het aardig uit de hand met al die doorslaande successen. We zijn het grote plaatje kwijt, de inbedding van al die wetenschap en techniek, van al die rationele verworvenheden. We weten van alles over watermoleculen, waterplanten, de stroom, de bodem, de vissen, maar… we zien de rivier niet meer.

Het rationeel logisch-economisch denken is inmiddels allesoverheersend geworden, losgeweekt van zijn vroegere maatschappelijke inbedding die door middel van culturele normen paal en perk stelde aan de god Geld & Gewin. Geld maakt ons wel degelijk gelukkig (kom nou, ontken het nou niet), want je kunt er een boel spullen mee kopen, en status en vrijheid. Maar anderzijds, als je aan stervenden vraagt waar ze het meest spijt van hebben, dan is het dat ze teveel hebben gewerkt, te weinig aandacht hebben besteed aan hun gezin, familie en vrienden, en te weinig tijd hebben genomen om van de schoonheid van dingen werkelijk te genieten. Kortom, te weinig geluisterd naar de ‘wijsheid van hun rechter hersenhelft’.

Deze onevenwichtigheid tussen het linker en rechter hersenhelft denken zit diep in de filosofie ingebakken, zelfs in de meest eenvoudige definitie van filosofie: de liefde voor kennis (links) en wijsheid (rechts). Dit verschil in functie van de twee hersenhelften heeft enorme consequenties gehad voor de ontwikkeling van het filosofisch denken. Door de hele geschiedenis van de filosofie heen vindt men de twee verschillende denkstijlen terug: b.v. enerzijds het empirisme, rationalisme, utilisme, materialisme, positivisme (e.a.) en anderzijds de theologie, het structuralisme, existentialisme en de fenomenologie (e.a.).

We zien dit bij de verschillende filosofische scholen terug, b.v. in hun nadruk op nuttigheid in economische filosofie (zie Pheifer’s blog over het utilisme van Bentham), op het focus op de taal in de taalfilosofie (b.v. Wittgenstein, Derrida), op dialectisch en historisch materialisme in de politieke filosofie (b.v. Hegel, Marx), op de verifieerbaarheid en falsifieerbaarheid in het logisch positivisme (b.v. Russell, Popper), op de logica in de analytische filosofie en de vele vertakkingen van de meer recente analytische filosofie.

Al met al: de asymmetrische bouw, de functie van de hersenhelften, de interactie van hersendelen, ze doen er toe als we het hebben over onszelf, over het aardse en het onaardse. Ze doen er toe omdat de linker hersenhemisfeer fouten kan maken, verkeerde koude rationele conclusies kan trekken, hetgeen in zijn uitwerking verschrikkelijke consequenties kan hebben als ze niet gecorrigeerd worden door de meer menselijke rechter hemisfeer. Denk aan de rücksichtslose, doelgerichte, doeltreffende en efficiënte uitmoordmachine van de Nazi’s, de Sovjets, de Maoïsten en andere meer ‘kleinschalige’ regimes met een genocidale historie.

Ook de rechter hemisfeer kan fouten maken door een dominant wereldbeeld neer te zetten met waarden en normen die alleen voor zijn aanhangers gelden, maar niet universeel zijn, en dus strijdig met elkaar. Denk aan de met elkaar strijdende religieuze wereldbeelden, ieder met hun eigen Christelijke, Islamitische, Hindoeïstische, Boeddhistische en Joodse moraal. Voor de filosofieën van ‘seculiere religies’ geldt hetzelfde: de kapitalistische, socialistische, communistische moraal staan op gespannen voet met elkaar.

Met ‘fout linker of rechter hemisfeerdenken’ wordt niet bedoeld dat er een ‘goed denken’ zou bestaan, dat zou immers opnieuw een erg aanmatigende filosofie betekenen. Met ‘fout’ wordt bedoeld: niet in evenwicht met elkaar, geen vol gebruik maken van alle hersenfaculteiten en – kwaliteiten (daar hebben we ze toch voor!). Ik bedoel: een cultuur die de beperkingen van zijn hersenbiologie niet serieus neemt, die zijn rationeel-analytische kant overwaardeert en zijn waarden zoekende, synthetische kant onderwaardeert zit op het verkeerde pad.

Leer je kinderen rekenen en taal, maar leer ze ook muziek maken, tekenen, turnen en teamsporten. En leer ze…. filosofie.

(*) The Master and His Emissary (The Divided Brain and the Making of the Western World). Iain McGilchrist; 2009. Zie ook: Channel McGilchrist en YouTube (met diverse interviewers). Binnenkort verschijnt zijn opus magnum: The Matter of Things.

(**) De rechter hersenhelft is groter, zwaarder, heeft een andere oppervlaktestructuur, een andere neuro-endocrine sensitiviteit, e.d.

(***)  De linker en rechter hersenhelften functioneren uiteraard niet los van elkaar; via het corpus callosum interacteren ze onophoudelijk. Links en rechts zijn anatomisch te onderscheiden maar in hun gezamenlijke werkzaamheid niet te scheiden.

(****) In feite al een oude klacht c.q. bescheidenheid die Socrates zo populair maakte: ‘ik weet slechts één ding: dat ik niks weet’.

Wat we geloven bepaalt de toekomst – Slot

De filosofie van de op technologie en winst gerichte wetenschap van de Verlichting, de rationele nuttigheidsfilosofie over menselijk geluk (= maximeren plezier minus pijn; leuk-niet-leuk), de Ik-gerichte filosofie van de Romantiek en de ontwikkeling van het wereldwijde neoliberale kapitalisme is een uitermate giftige cocktail gebleken. Letterlijk, want we hebben onze aardse leefomgeving ermee verpest. We hebben 2500 jaar Europese beschaving achter ons gelaten als niet relevant. Immers ons leven is maakbaar en plan-baar als je maar genoeg je best doet. Wij zijn immers niet meer – als de generaties voor ons – regelmatig onderhevig aan zwaar menselijk lijden. Althans niet in ons land.

Een waardenloze vrijheid heeft het zielloos volgen van de menselijke begeerten van het individu tot norm voor geluk gemaakt. De erotische begeerten: bezit en vermogen, lifestyle huizen, gewenst uiterlijk (fysieke operaties en kleding), ervaringen (reizen etc.) en seks: alles te vertalen in geld in een ongekend consumentisme. De thymotische begeerten: status, roem en grote macht over anderen. Alleen nog vertaalt in geld. Er is geen  enkele norm of voorbeeld meer tot matiging van die begeerten. Vrijheid betekent dat alles is toegestaan, zolang het niet letterlijk in strijd met de wet. De menselijke neiging tot conformiteit zorgt ervoor dat iedereen dezelfde richting uit blijft uit rennen.

De 7 Christelijke hoofdzonden van weleer, het gedrag waarmee mensen zelf het kwaad in de wereld brengen: Hoogmoed, Hebzucht, Wellust, Gulzigheid, Afgunst, Woede en Onverschilligheid zijn ideologisch goedgekeurd onderdeel van onze hedonistische levensstijl geworden. ‘ Greed is good’ is de filosofie van de would-be miljardairs geworden. Het hoogste Christelijke gebod van de vroeger normerende beschaving: de Liefde en de Naastenliefde (Heb uw naaste lief als uzelf) is ouderwijds ‘gezeik’ geworden. 

Voor onze neoliberale overheid, de commerciële bedrijven en de sociale media zijn wij mensen nog slechts een ‘homo economicus’, die makkelijk verleid  kunnen worden tot…… Mensen met alleen maar verlangens naar materiele goederen en opwindende ervaringen en diensten. Mensen die volgens onze bestuurlijke technocraten tot het kwade geneigd zijn: door hebzucht en fraude, tot achterbakse misleiding van anderen, die anderen als middel gebruiken tot…, door pure kwaadwilligheid jegens anderen. Doodgewoon respect voor enigerlei menselijke waardigheid is verloren gegaan, zoals bij de Belastingdienst, of bij de NAM in het aardbevingsgebied van Oost-Groningen.

We zijn in termen van Spinoza’s ethiek teruggevallen op pure egocentrische emotionele inbeelding over het goede van onze eigen handelingen, en het kwade van het gedrag van anderen. Onze ego-identiteit staat geen kritiek meer toe. Waarheid is relatief en persoonlijk geworden. Kennis en verstand spelen persoonlijk nog maar een kleine rol, laat staan een waar inzicht in het Zelf en de Anderen om ons heen.  

Onze kernwaarden zijn individuele vrijheid en gelijkheid in een democratische samenleving. Maar vrijheid waartoe (behalve doen waar je zin in hebt)? Gelijkheid in welk opzicht, op wat voor manier (behalve de abstracte eis op zich)? Democratie? Leiden onze rechten en verkiezingen nog tot enige verandering? Naar een samenleving die meer gestoeld is op sociale rechtvaardigheid? Naar het accepteren van de urgente acties die nodig zijn om ook nog wat aardse leefruimte voor toekomstige generaties te behouden?

Door wat we geloven, wat we als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen, zijn we de afgelopen 25 jaar heel veel kwijt geraakt. Ethiek en moraal is tegenwoordig een specialisme van deskundologen of van supermoralisten. We worden opgejaagd door radicale uitersten, daarbij de ervaringen van de dodelijke 20e eeuw vergetend. Zoals de schrijfster Renate Rubinstein noteerde: waar een radicaal collectief is, is er ook altijd een volkscommissaris om mensen uit die groep in een mal te dwingen.

Ieder van ons is als mens uniek,  maar als mensen, als de soort homo sapiens, zijn we allemaal dieren die op dezelfde wijze functioneren. Alleen onze ideeën over de wereld verschillen en die ideeën hebben tegenwoordig vooral betrekking op onszelf: het verlangen naar datgene wat in ons leven ontbreekt. De genetische ingebouwde moraal van de kleine groepen jagers verzamelaars van weleer past niet meer in een groot stedelijke omgeving, maar we conformeren ons net als toen nog wel grotendeels aan anderen.

Volgens Aristoteles is het recept om met weinig stress gelukkig te kunnen leven: voldoende inkomen, een goede partner, een paar goede vrienden, een betekenisvolle dagbesteding, een redelijke gezondheid. Maar om je gelukkig te kunnen voelen moest je, volgens de oude Griekse filosoof, jezelf wel trainen in het beheersen van je menselijke begeerten: door matig te zijn in je fysieke lusten (eten, drinken, seks), in je begeerte naar bezit en in je streven naar roem en status. Moet je leren om respectvol om te gaan met andere mensen en anderen rechtvaardig te behandelen. Om matig en rechtvaardig te leren zijn en evenwichtig te blijven in stressvolle situaties heb je kracht nodig. En dit alles lukt je slechts als je via je verstand en je ervaringen de wijsheid verwerft, die een dergelijke volwassen levenshouding vereist. Maar zijn eeuwenlang gevolgde recept is losgelaten.

Mensen veranderen hun gedrag pas als de gevoelde emotie tot verandering sterker en diepgaander is dan de emotie tot behoud wat van wat is. Dat stelde de Nederlandse filosoof Spinoza in de 17e eeuw. Maar ik zie die verandering nog niet komen. Wij willen onze lifestyle behouden, ook al is die voor een groot deel van de wereld niet bereikbaar en ook al zal die materieel ook nooit meer voor al die anderen bereikbaar zijn, de aardse leefomgeving laat dat niet meer toe. Een relatief klein aantal kan alleen nog pogen naar het rijke Westen te migreren, desnoods zwemmend.

In Europa heerste in de periode 1950-2000 meer dan 50 jaar vrede – na 2 wereldoorlogen en de grootste moorddadigste dictaturen ooit. Die periode leek een toppunt van groeiende beschaving met hoge verwachtingen. Maar dat tijdvak bleek een afwijking, een uitzondering. De geschiedenis gaat nu gewoon door daar waar ze gebleven was in 1914. Dansend op de vulkaan, nu tijdens dance-events, terwijl vele nieuwe bedreigingen de hele wereld letterlijk in lichter laaie zullen kunnen gaan zetten.

We wonen in een gaaf land (wat we geloven 10)

Velen geloven in deze uitspraak van onze eerste minister. Wat er niet zo gaaf aan is, willen we liever niet horen of lezen of klikken we weg.

In de afgelopen 25 jaar zijn er een aantal zaken maatschappelijk diepgaand veranderd. Voor de jonge generaties is het allemaal niet zo tof, tenzij je ouders hoogopgeleid, goed verdienend en redelijk vermogend zijn. Dus als je uit een geprivilegieerde achtergrond komt.

  • We voeden al die kleine authentieke ikjes niet meer op, want ze moeten zichzelf ontwikkelen. Hun gedragsvoorbeelden vinden ze daardoor nu grotendeels op de sociale media. Terwijl jonge sporttalenten eindeloos moeten trainen, zijn we vergeten dat alle kinderen en jonge mensen training nodig hebben, training om frustraties te overwinnen, door te zetten, met verdriet en tegenslag om te gaan, in respectvolle sociale omgang, noem maar op.
  • Het gebrekkige onderwijs heeft jonge mensen beroofd van hun taligheid, hun rekenend inschattingsvermogen en hun parate kennis over de wereld, theoretisch en praktisch. Diploma’s zijn alleen nog gericht op de verwachte beroepspraktijk, die steeds meer nieuwe extra gespecialiseerde sub-diploma’s vragen. Dit mede omdat in het secundair en hoger onderwijs de normen kwalitatief steeds lager zijn geworden wegens financiële eisen aan het onderwijsrendement.
  • Het hoger onderwijs is voor jongeren inmiddels ook tot bedrijfsmatige investering verklaard. Met een studielening als investering moet je je toegang tot de veel-verdienende klasse zelf maar zeker zien te stellen.
  • De rolmodellen voor jongeren zijn virtuele gemarkete reclamebeelden geworden van superrijke megasterren en – sportmensen. De beelden op het internet hebben de individuele verbeelding van jongeren omgezet in weinig realistische inbeeldingen van wat blijkbaar voor iedereen mogelijk moet zijn, ook voor hen (o.a. een goed gebeeldhouwd lijf). Sywert van Lineden was wat dat betreft geen uitzondering: succes begint allereerst in de Media.
  • Jongeren worden geperst in een extravert, creatief en vooral assertief keurslijf. Want  ze moeten succesvol worden in hun werk op basis van hoge prestatiemaatstaven door bereid zijn hard en al concurrerend te werken vanuit een positieve ambitieuze levenshouding. Een langere periode van economische onzelfstandigheid moet ze daar rijp voor maken, rijp voor vele jaren: ‘druk, druk, druk’. De ‘verlengde’ pubertijd dient meestal dan ook niet voor extra vorming (hooguit een tussenjaartje reizen), maar voor het nieuwe hedonisme: feesten, alcohol en drugs.
  • Jonge mannen zien al vroeg het voorbeeld van de superrijken. Ze hebben weinig intellectuele interesses meer en geen andere ambitie dan veel geld verdienen. Ze kijken bij voorbaat al neer op een gewone baan en spreken al vroeg over verdienmodellen. Ze hoeven geen verantwoordelijkheid als man meer te dragen. De niet bekende ander is concurrent of als middel in te zetten voor eigen doelen. Vaste relaties met een partner worden zo lang mogelijk vermeden, want mogelijk zijn er nog betere partners te vinden om een ‘powercouple’  mee te kunnen vormen.
  • Jonge vrouwen zijn bevrijd van het paternalistische juk van hun grootmoeders, vrij om economisch zelfstandig te zijn. Maar meer dan voorheen opnieuw slaaf gemaakt van een maakbaar operabel uiterlijk, van mode, feministische ideologie en weinig stabiele relaties. Er wordt van hun verwacht dat ze een moederschap feilloos kunnen combineren met werk en dan niet half time. En daarna nog met de mantelzorg voor familieleden.
  • Het krijgen van kinderen wordt inmiddels gemiddeld al zo lang uitgesteld, dat überhaupt op een gewone manier kinderen krijgen steeds problematischer is geworden door de met de leeftijd afnemende vruchtbaarheid van vrouwen en mannen. Volgens een recente studie is de kwaliteit van het sperma van mannen in stedelijke samenlevingen door allerlei oorzaken sinds 1985 gehalveerd…
  • Het vergrote ego van ouders is inmiddels aanleiding tot vele dure, langdurige en vernietigende vechtscheidingen rond bezit en rechten. Een uiterst slecht voorbeeld voor hun lijdende kinderen. 
  • Wonen op meer dan 25 m2 is een kostbare investering geworden, die concurrerend moet worden verworven met schulden, die de binding met het economisch systeem in beton gieten.
  • De geïnflatteerde authentieke ego’s hebben via internet de maatschappij gespleten in oppervlakkige netwerken van gelijkgestemden zonder tegenspraak. Van progressieve supermoralisten tot duistere criminele verbanden. Het maatschappelijk middenveld is verdwenen. Alles wat voorheen vanuit vrijwilligersorganisaties werd geregeld is nu alleen nog op zakelijke wijze mogelijk: ‘professioneel’ en met noodzakelijke geldschieters.
  • Een relatief klein maar uiterst luidruchtig deel van de bevolking lijdt aan supermoraliteit. Ze voeren cultuuroorlogen over maatschappelijke  opvattingen, seksuele oriëntatie, huidskleur en wit privilege, vooral tegen oudere witte mannen. We moeten inmiddels onszelf censureren op taalgebruik en onze opvattingen. We moeten onze geschiedenis met andere ogen bekijken. Kunst, cultuur en hoger onderwijs zijn er inmiddels geheel van doordrongen. Ze vechten tegen discriminatie, tegen ongelijkheid: maar welk soort gelijkheid willen ze eigenlijk bereiken? Immers ook voor de minderheden vormen de economische, niet de culturele discriminatie de grootste hindernis.
  • Rechts reageert agressief op deze ‘cultuur-marxisten’ en vecht letterlijk voor vrijheid. Vrijheid om niet lastig te worden gevallen met progressiviteit en migranten. Maar voor welke positieve vrijheid strijden ze eigenlijk?
  • De individualistische maatschappij van nu kent weinig gemeenschappelijke verbindende waarden meer. Een gezamenlijke moraal in de publieke ruimte is strijdig met vrijheid. En dus is er de dagelijkse opwinding, aangejaagd door de media, van schandalige tweetjes (ook al zijn ze 15 jaar oud), boven water gekomen ‘feiten’ over beroemdheden, of over auteurs wiens boeken of stukken niet eens gelezen of begrepen zijn. Het cancelen gaat dag en nacht door.
  • De verliezers van de concurrentie staan er vaak alleen en verloren voor. Burn-out, depressie, eenzaamheid alom. Met als oplossing: internet therapie, horden beschikbare commerciële coaches en mindfulle spiritualiteit. Er is weinig empathie meer, buiten het eigen gelijkgezinde netwerk. Meelevendheid is voornamelijk virtueel geworden, een seconden like-je of een minuutje tweeten of mailen.
  • Mensenrechten wereldwijd staan al helemaal niet meer in de belangstelling, behalve met wat goedkope afkeurende berichtjes, terwijl wereldwijd grote moordpartijen aan de gang zijn en de gevangenissen en kampen zich vullen. Terwijl door de vernietiging van de leefomgeving mensen overal ter wereld op drift raken. Zelfs van de schrijnende arbeidsomstandigheden van migranten in eigen land word gewoon weggekeken.
  • Noch de bestuurders van dit gave land, noch de geprivilegieerde elite blijken bereid (en al helemaal niet in staat) om afdoende en tijdig de noodzakelijk urgente maatregelen te nemen tegen de escalerende problemen in onze leefomgeving. De moraal wordt voldoende gesteund met een gas-loze keuken, een warmtepomp of een belasting gesubsidieerde Tesla voor de deur. Ze geven daarmee het maatschappelijk voorbeeld, waardoor ook de beneden modale burgers zullen weigeren klimaat maatregelen te accepteren.

Nee, we lijken niet meer op het land van 25 jaar geleden. Maar toen hadden we wellicht ook nog niet marketeers die ons wilden laten denken dat we in een gaaf land woonden.

Wat we met werk verdienen, dat ‘verdienen’ we ook (wat we geloven 9)

De belangrijkste van de verschillende dagelijkse rollen van een individu binnen zijn verschillende maatschappelijke netwerken vormt zijn of haar Werk binnen een economisch systeem van private ondernemingen en vrije markten.

Werk heeft in Noordwest Europa een andere geloofslading dan in Zuid- en Oost Europa. Vanuit onze protestants-christelijke achtergrond is werk je dagelijkse plicht, (in het zweet van je aanschijns), je moet nuttig bezig zijn, je eigen brood verdienen, productief zijn. Want ledigheid is des duivels oor kussen.

Progressief ideologisch moet ook een vrouw economisch zelfstandig zijn en dus werken. Parttime werk voor vrouwen wordt afgekeurd omdat het een echte carrièreontwikkeling hindert. Kinderopvang dient in deze soelaas te bieden. Zo nodig moeten beide partners dan maar parttime werken. 

Vanuit de neoliberale achtergrond is de druk op economisch maatschappelijk productief actief zijn de afgelopen jaren een stuk groter geworden. De sociaaldemocratische vangnetten van bijstand en zorg zijn fors ingekrompen. Wie kan werken moet werken. Zorg en bijstand moeten maar verleend worden door familie en buren. De overheid springt alleen bij als het niet anders kan op basis van je ingeschatte arbeidsvermogen.

Het kapitalisme heeft op het gebied van verdienen  en ‘verdienen’ (1) alle remmen los gegooid. Wie succesvol is mag bijna eindeloos veel malen meer verdienen dan de middelmatigen. De economische ongelijkheid qua inkomen en vermogen neemt in die zin de laatste jaren sterk toe. In de tegenwoordig economische wereld van monopolistische marktposities, financiële kracht en politieke steun, hebben managers zichzelf daarmee een vrijbrief verschaft ten aanzien van hun eigen verdiensten als ze na succesvolle persoonlijke concurrentie op het pluche zijn aangekomen. Dit geldt ook voor de dienstverleners om hen heen: hun eerstelijns managers, de lobbyisten, de advocaten, accountants, medici etc. Ze hebben er naar hun mening allemaal recht op.

Dat beeld is doorgesijpeld naar de middenklassen. Qua werk en inkomen is nu sprake van winnaars en verliezers. Wie het hardste kan lopen verdient de prijs, die heeft de concurrentie achter zich gelaten. Wie zich een maatschappelijke positie en een goed inkomen heeft verworven, heeft dat zelf voor elkaar gekregen. De verliezers hebben het aan slechts zichzelf te wijten. Men heeft zijn sociaaleconomische positie bereikt op basis op zijn of haar verdiensten (merites). Zij vormen de nieuwe aristocratische klasse.

Het is een uitermate egocentrische visie die geen rekening houdt met ongelijke verdeling in de sociaaleconomisch vaak – geprivilegieerde -achtergrond van de ouders en hun netwerken, met ongelijkheid in talenten, kansen en omstandigheden. En de factor toeval en geluk die vaak een grote rol speelt. De beroemde filosoof John Rawls schreef in 1971 ‘a Theory of Justice’, een beschouwing over sociale rechtvaardigheid. Overtuigend toonde hij aan dat een ‘winner takes all’ houding niet te rechtvaardigen is zonder rekening te houden met de niet-winnaars. Speel zijn spel met ‘de sluier van onwetendheid’ maar eens en je beseft onmiddellijk waarom er in de sociale lagen onder de mediane inkomens zoveel afkeer tegen de ‘elite’ bestaat.(2). Juist daar moet je nu ook concurreren, maar wel om relatief laagwaardig werk met een laag inkomen. Juist daar is echt sprake van neerbuigende discriminatie.        

Hetzelfde principe geldt ook voor de bestuurstechnocraten. Ze verdienen dan wel geen kapitale bedragen, maar in plaats daarvan hebben ze macht. Ze hebben het recht verworven om de minder succesvolle andere burgers te besturen, te beoordelen en beslissingen over hen te nemen. Plannen te maken achter bureaus en schermen, die anderen maar moeten uitvoeren. Regels te stellen waaraan anderen zich maar moeten houden.

Het is daarnaast opmerkelijk hoe in nog geen 25 jaar de Amerikaanse hiërarchische bestuurscultuur ook in Nederland is doorgedrongen: succesvol zijn, betekent letterlijk de baas zijn en de baas spelen. De minder succesvolle burgers zijn nu eenvoudigweg de in te zetten arbeidsmiddelen voor de succesvollere burgers geworden. En als er geen burgers beschikbaar zijn voor laagwaardig werk, dan zijn er nog altijd voldoende arbeidsmigranten via schimmige uitzendbureautjes.

Waarom noemde ik in het begin de protestants achtergronden van Noord Europa? Omdat in Zuid Europa de meritocratie nog niet echt is doorgedrongen. Werk heeft daar geen ideologische lading. Werk is iets wat je doet voor je brood, om je familie (in uitgebreide zin)  te ondersteunen. Want geen werk betekent, zoals nu tijdens de pandemie, voor velen domweg honger lijden. Werk is een aantal uren per week, maar wel heel veel uren en lange dagen (6 dagen is beslist geen uitzondering). Werk is een beroep. Arbeidsproductiviteit speelt maar een beperkte rol. Voor hoge posities binnen bedrijf of overheid ben je nog altijd – net als honderd jaar geleden – afhankelijk van het netwerk van je familie. Nepotisme viert nog altijd hoogtij (trouwens overal ter wereld). En hoe hoger je functie hoe minder je feitelijk hoeft te werken en hoe meer je je dagelijks binnen je kringen met anderen op je werk mag verpozen. Daar tijdens een lange lunch. In Nederland via eindeloze vergaderingen.

In Oost Europa is door 50 jaar communisme iedere maatschappelijke moraliteit verdwenen. De machthebbers zijn net als de communisten vóór hen, door en door corrupt. Voor werk en opbouw van vermogen moet je in West Europa zijn om met het verdiende geld in eigen land een leven op te bouwen in en rond je uitgebreide familie. Arbeidsmigranten dus, waar we allemaal graag in het geheim gebruik van maken, als werkster, loodgieter, aardbeienplukker of kippenslachter.

(1) Het Engelse ‘earn’ tegenover ‘deserve’

(2) Lees over de uitwassen van de meritocratie het boek van Michael Sandel  ‘De tirannie van verdienste’, gepubliceerd in 2020.

Mensen hebben rechten (wat we geloven 8)

Hoe vaak wordt door mensen in allerlei persoonlijke en maatschappelijke discussies wel niet aangegeven dat ze rechten hebben, recht hebben op.., dat hun rechten worden geschonden, dat ze niet krijgen waar ze recht op hebben, dat ze naar de rechter zullen gaan om hun recht te halen. Enerzijds kan daarmee bedoeld worden dat ze door anderen niet rechtvaardig behandeld worden. Maar meestal is de klacht gericht tegen de overheid die hun rechten als burgers schendt.

Vaak wordt dan vergeten dat je helemaal geen rechten hebt, tenzij een ander je die rechten heeft verleend én die ander bereid en in staat is die rechten ook de facto te verwezenlijken.

Een goed voorbeeld is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948, welke tot stand kwam via de Verenigde Naties. Bijna alle landen ter wereld tekenden destijds die verklaring. Maar overal ter wereld vinden dagelijks de meest grove schendingen plaats van Mensenrechten, omdat landen:

  • niet van plan zijn zich ook maar iets gelegen laten liggen aan dit internationale verdrag als dit strijdig wordt geacht met het nationale belang of het belang van de machthebbers (bijv. China, Rusland of Turkije);
  • deze rechten feitelijk niet willen toekennen (Midden-Oosten  – vrouwen)
  • Bestuurlijk simpelweg niet in staat zijn die rechten in de praktijk te garanderen (bijv. in Mexico);
  • die rechten wel erkennen, maar in de praktijk om politieke redenen die rechten ondergraven (Europa – vluchtelingen).

Zelfs in een klein land als Nederland is recht hebben zeker nog niet recht verkrijgen. Rechten worden ons door de overheid wettelijk verleend, maar dat betekent nog niet dat die rechten ook in de praktijk zullen worden gerealiseerd (bijv. recht op wonen), dat wordt uiteindelijk toch politiek bepaald. We kunnen bij geschillen recht hebben op een gang naar de rechter, maar in de praktijk kan ons dat financieel onmogelijk worden gemaakt door hoge kosten van advocaten. We kunnen recht hebben op vrijheid, maar tijdens een noodsituatie kan een overheid die vrijheid niet meer garanderen.

En dan is er nog de sociale gemeenschap zelf. Je kunt wettelijke rechten hebben (bijv. geen overlast van je buren). Maar het realiseren van dat recht tegenover een andere burger kan een schier onmogelijke taak zijn, zelfs via de rechter. Tegenover een groot bedrijf sta je met je rechten als burger meestal machteloos.

Iets wat de laatste jaren steeds meer optreedt, is dat ‘rechten’ van burgers  onderling strijdig zijn. De vrijheid van vereniging en vergadering kan strijdig zijn met de bescherming van de burger (criminele motorclubs) of van de democratie (neonazi’s). De vrijheid van onderwijs kan strijdig zijn met de rechten van het kind op een brede maatschappelijke ontwikkeling. De vrijheid van religie kan strijdig zijn met het algemeen belang van de volksgezondheid (vaccineren).

Het meest in het oog springend is het recht op de vrijheid van meningsuiting Tegenwoordig ontbreekt het volledig aan enigerlei moraal over onderlinge omgang in de publieke ruimte, waar internet een belangrijk onderdeel van is geworden. Relatief anoniem kun je onder het kopje ‘mening’ anderen voorliegen, bedriegen, beschimpen, belasteren en beschuldigen, hetgeen in de openbare fysieke ruimte of face to face nooit zou gebeuren. Het recht op ‘onschuldig, tenzij’ wordt inmiddels vaak op groffe wijze geweld aan gedaan, zeker door de virale zwermen op internet die wel klokken hebben horen luiden, maar…. Dit alles onder het motto: waar rook is, is vuur. Een vorm van animale primitiviteit, die we in de geschiedenis nog niet eerder in deze massale vorm zijn tegengekomen. Als goedwillende burger kun je niet anders dan daar ver bij uit de buurt blijven om zelf geen roedel internet hyena’s achter je aan te krijgen.     

We willen vrij zijn, maar wel met rechten. We willen individuele autonomie én rechten die anderen ons moeten verlenen. De nadruk op je rechten en op rechten in het algemeen leiden veelal tot grote frustratie en gevoelens van slachtofferschap. Je stelt je daarmee wel uiterst afhankelijk op van die ander, het bedrijf of de overheid en verliest je zelfstandigheid. Het is altijd beter realistisch de feitelijke situatie te beoordelen en in te schatten of en hoe je je ‘rechten’ ook feitelijk kunt realiseren en anders maar gewoon doorgaan met je leven.